 |
Bijna van start! En eerder reisverslag
ook hier een eerder reisverslag:
Eerst een terugblik: het is 24 november. Er is een jongen, zijn naam is Sow, hij is 17 ongeveer.
Hoezo polio? We zijn vroeg opgestaan. We vertrekken vandaag, van ons huisje in Pulli Fulbe, in Senegal. Zonder licht, zonder drinkwater, zonder gas; en koken op hout is verboden, dus hoe doe je dat? Maar ons huisje ligt aan zee, nog een paar jaar en het ligt in zee. Want de oceaan komt ieder jaar een stukje dichterbij. We hebben nog 50 meter en bij stevig zeeweer, en dat gebeurt nogal eens, dan komt het water tot aan de deur De klamboes opgeruimd, de lakens in de was bij de buurvrouw, koelkast hebben we niet, dus de inhoud ook niet. Deuren en luiken dicht. De koffers zijn gepakt voor de reis naar Nederland, de paard en wagen staat voor de deur om ons naar het grotere dorp te brengen, zodat we in een overvolle auto naar Dakar kunnen. Abdou gaat mee naar Dakar en Amatel, de doven-leerkracht, gaat mee voor een gesprek in de brousse waar 5 families wonen met een groot aantal dove kinderen. Met de dorpelingen willen we bespreken een klasje bij hen op het erf te beginnen. We zijn hierover al twee jaar in gesprek. De ouders hebben zo hun zorg. De kinderen bij familie onderbrengen, zodat ze naar onze school op de mat kunnen (15 km.), is niet echt een mogelijkheid. Daar zijn veel gesprekken over gevoerd. “Gezonde “ kinderen bij familie laten logeren geeft geen problemen, maar dove kinderen zijn heel kwetsbaar, er is nauwelijks communicatie tussen de kinderen en hun familie. De ouders weten nog niet dat dove kinderen alles kunnen, behalve horen. We gaan nu opnieuw praten over een school op de mat bij hen in het dorp.
De koffers zijn opgeladen, samen met spullen van de buren die ook naar het grote dorp moeten. Een mand met vis, een schaal met Dende (een soort meloenen). Een oude man met een enorme stok voor wie lopen te ver is. Een vrouw met twee grote manden met koopwaar, spullen die iedereen al heeft of zelf verkoopt. Maar evengoed toch gezellig om op de markt te staan.
Als ik op de door mij gehuurde paard en wagen nog een plaatsje wil bemachtigen moet ik snel zijn. Ik klim tussen mijn “handel”, schuifel even met mijn billen om plek te maken. We kunnen gaan. Op de kar vertelt Amatel, dat iemand in het dorpje verderop vannacht is gestorven. Ik kijk naar zijn gezicht en reageer geschrokken, ‘hoe jong?’ ‘Ongeveer 19 jaar. En van dezelfde familie waar twee jaar geleden twee jongere kinderen stierven door de cholera.’ Wij stoppen voor het dorpje om te condoleren. De vader komt ons tegemoet, zijn gezicht bedroefd. Gelaten laat hij ons de zoon zien. Wij schudden handen met een zwaar hart. ‘Ik heb nog één zoon. En hij is ziek. Dezelfde ziekte, hij kan niet meer lopen en is heel heet. Soms weet hij niet wie ik ben.’ Hij verwacht geen hulp het is meer een mededeling. Aarzelend zeg ik: ‘Mag ik even naar hem kijken?’ ‘Het is hopeloos,’ en heft zijn handen naar de hemel. Toch gaat hij mij voor naar een donker warm kamertje, als mijn ogen gewend zijn aan het licht, zie ik in de hoek een groot ijzeren olievat en op een flinterdun matrasje een magere jongen met ogen groot van koorts. Amatel praat met hem en vraagt mij wat ik kan doen. De menner van de paard en wagen gaat terug naar ons huisje om mijn EHBO koffer te halen. Ik doe wat controles en geef hem paracetamol tegen de pijn. Hij kan niet zelfstandig staan en lopen is totaal onmogelijk. Zijn benen zwabberen. Hij moet dringend naar een goed ziekenhuis. Ik vertel dit aan Amatel. Die gaat met de vader praten. De moeder staat met vochtige ogen heftig te knikken, alles wat ook maar iets van hoop geeft vindt zij goed. De vader haalt uit het lege olievat een plastic zak met medicijnen. In grote rode cijfers staat geschreven FCFA 13.850. Een half maandsalaris als je een salaris hebt. ‘Eergisteren gekocht van de laatste centen voor de overleden zoon. En nu is hij dood. Nee geen dokter, geen ziekenhuis, geen medicijnen. Eén zoon heb ik, één zoon.’ Ik knik begrijpend, maar bal mijn handen tot vuisten om niet uit te schreeuwen: ‘straks heb je niets meer, zie je niet dat deze zoon je toestemming nodig heeft? Zie je niet dat hij dezelfde weg gaat als de jongen in de andere kamer?’ Smekend kijk ik Amatel aan: ‘Doe iets, zeg iets, overtuig deze man dat wij de jongen een kans moeten geven te overleven, door hem mee te nemen naar het ziekenhuis.’ Het is warm in de kamer, warm donker en benauwd. Niet alleen omdat het heet is buiten en het kleine kamertje al dagen potdicht zit, maar ook door ons. We zweten met de jongen mee. Hij probeert zich op te richten, werpt zijn wanhopige blik wisselend op Amatel, zijn vader en mij. De discussie loopt op, om weer weg te kabbelen in algemeenheden. Veel dank dat ik wil betalen, God zal mij lonen, maar nee, geen ziekenhuis. Misschien volgende week probeert hij Amatel af te leiden. ‘Volgende week is te laat.’ Seinen mijn ogen naar Amatel. Amatel is jong, het is moeilijk om met het juiste respect de oude man te overtuigen. Ik zou met mijn leeftijd meer kans maken, maar beheers de taal en vooral de cultuur niet voldoende. Buiten wachten de mensen geduldig op de kar. Het erf stroomt vol met mensen uit de wijde omgeving die komen condoleren. Ieder brengt iets mee voor de gezamenlijke laatste maaltijd. Rijst, olie, suiker, thee en vis. Amatel staat op en wist het zweet van zijn voorhoofd. Twee jongens, neven, worden geroepen en brengen Sow naar buiten, tillen hem op de kar. De vader huilt, de moeder geeft een bos wortelen uit haar tuintje mee, en haar beste wuddere die als laken in het ziekenhuis dienst zal doen. De stoet komt in beweging, de mensen lopen naast de kar. In drie minuten is de kar veranderd in een ambulance. Zo eenvoudig gaat dat.
Het is 2 maart. Sow loopt, echt hij loopt, hij sleept met zijn ene been, maar hij loopt. Zijn gezicht staat ontspannen. De vader sluit hem in zijn armen. ‘Mijn zoon.’ In Nouakchott, de hoofdstad van Mauritanië rolt een man over straat. Hij draagt een T-shirt en een voetbalbroek. Hij heeft geen armen en geen benen. Koprollend beweegt hij zich naar zijn stek voor deze tijd van de dag, de stoplichten. Deze zijn nieuw in Nouakchott. ‘De auto’s moeten nu verplicht stilstaan en dat maakt bedelen voor mij makkelijker, vroeger liep ik het gevaar onder de wielen te rollen,’ vertelt hij met een lachje. Op een dag toen onze (oude) auto weer eens stuk langs de weg stond vertelde Sam zijn verhaal onder het genot van een gekregen colaatje met een eigengemaakt rietje. ‘Ik heet Sam,’ begon hij zijn verhaal. ‘ja, dat is ongewoon, zei hij mijn verbaasde blik opmerkend. ‘De tweede geboren zoon van onze stam heet Samba, maar ik ben maar half, dus nam ik met een halve naam genoegen. Zo weet ik mijn plaats in de familie.’ Zijn wonderlijk donkere ogen met gouden lichtjes lachen. ‘Op een kwaaie dag komt er een aardige Amerikaanse dame,’ zo begint hij zijn verhaal. ‘Ze had een plan met mij, zei ze. Ik begreep haar taal niet zo goed maar ik hou van dames zeker dames met een plan.’ Ik zie de lach weer in zijn ogen. Ze pakte me op en zette me in een nette rolstoel, trok me een keurig pakje aan en rolde me naar een kantoor van het goede doel. Daar kreeg ik een tafel en een machientje met een stokje, waarmee ik met mijn mond de letters van de lijsten met geschreven namen in de computer kon zetten en een salaris. We zaten daar met drie mensen, alle dagen dezelfde mensen, dezelfde tijd, dezelfde lijsten en hetzelfde stokje. Door dat stokje kon ik niet praten met de mensen in het kantoor. Het ging niet goed, om mezelf wat op te vrolijken verdiende ik met rollen langs de straat in de avonduren wat bij. Zo miste ik weer mijn familie. De ezelkardrijvers zagen mij maar net op het nippertje, ik draag immers geen verlichting op mijn koprol. Na drie maanden rolde ik de kantoordeur uit de straat weer op. Hier heb ik mijn contacten, mijn vrienden en verbeter voortdurend de kunst van het bedelen. Hoewel dat altijd nog beter kan. Jij bijvoorbeeld geeft mij nooit één cent, behalve de cola die we soms nog samen delen. En dat voor een Tubaak, een blanke.’ Hij lacht, ‘maar je geeft me oprechte vriendschap en dat is goud waard.’ We geven elkaar een voorhoofdje. Met een blij gevoel van oprechte vriendschap stap ik in de weer gerepareerde auto.
Moudou is ook een vriend geworden, hoewel er een beetje een haat/liefde verhouding tussen ons is. Moudou regelt het verkeer op een kruispunt waar het niet zo druk is. Hij draagt een versleten politiebroek en legerpet, een uit het goede hout gesneden pistool steekt half uit zijn zak. Zo maakt hij indruk. Iedere stadsbewoner kent hem en volgt zijn soms vreemde adviezen op met een lachje en een bedragje. Als het echt druk is op het kruispunt tijdens het spitsuur - dat is rond tienen, men is niet zo vroeg in Mauritanië -, krijgt hij assistentie van de echte politie, en met intensief overleg is er een goede samenwerking ontstaan. Hij laat auto’s naar willekeur stoppen en doorrijden met veelvuldig gebruik van gebaren en zijn heuse politiefluit. Als wij willen passeren stopt hij ons altijd en gebiedt mij mijn lap om mijn haren te binden die ik meestal losjes om mijn schouder heb hangen. Geen lap om, geen doorgang. Echter als ik er op tijd aan denk en de lap om mijn haren heb gedraaid krijg ik van hem een VIP behandeling. Iedereen moet stoppen en als een koningin mag ik in mijn eentje als eerste het kruispunt over.
Misschien een ideetje voor Nederland, in het dagprogramma voor mensen met een verstandelijke handicap. Wie weet lost het files op, in ieder geval een vrolijkere wachttijd.
Geplaatst op: 16 september 2008 door Wiljo Woodi
|