Nieuwste video's

Toon 1 video

Nieuwste foto album

en de kinderen hielpen mee met water voorde stenen

Toon alle 3 albums

PROJECT: Water voor school en groententuin in de Sahara

Organisatie: Silent Work
Locatie:Mauritanië (West-Afrika)
Kosten:EUR 3.033
Beschrijving:
Door een aansluiting op de grote watertoren kilometers verderop zullen schoolkinderen niet meer ziek worden door vervuild water en hun familie zal zelf meer groente kunnen telen.
Geld nodig voor:
Voor de aanschaf van 2,5 km waterleiding, een watertap en de bouw van twee wc's.

Weblog

Wiljo Woodi

Het water is er!

Silent Work startte een groot waterproject in Haimadatt. Daar zijn zes tappunten verspreid door het dorp. Om het waterverbruik zuinig te houden, water is “duur” in Afrika, zijn de tappunten twee uur vroeg in de ochtend en twee uur in de avond geopend. Toen het waterproject met muziek (op lege schalen) en dans door de vrouwen en kinderen officieel werd geopend, stond er na afloop een groepje kinderen, meisjes bij ons op de stoep om ons uit te nodigen bij hen op school. De andere morgen gaven we gehoor aan hun verzoek. 

We werden verwelkomd met een liedje in de Franse taal door hen zelf met hulp van de leraar Frans geschreven. De tekst was vrij vertaald als volgt: "Onze school ligt aan de rand van het dorp en heeft geen water, heeft geen water, heeft geen water." Dat werd het refrein. En verder: "Wij moeten iedere dag water halen, maar de het tappunt in het dorp is dan gesloten. Daarom willen wij graag een tappunt bij de school. Het is de taak van de meisjes om water te halen maar wij willen ook graag naar school." De jongens zongen: ‘Wij willen helpen met de aanleg van een schooltuin voor de arme kinderen die niet genoeg te eten hebben maar onze school ligt aan de rand van het dorp en heeft geen water, heeft geen water, heeft geen water.’

Wij hebben het begrepen en hier in Nederland hebben 80 leden van de 1% CLUB het mede mogelijk gemaakt. In Mauritanie hebben de meisjes geholpen met het water halen voor het stenen maken voor de WC’s (zie ook de foto\\\'s). En de jongens met het stenen maken zelf.

De kraan is officieel geopend door de oudste jongen van de school en het meisje (geholpen door de leerkracht) die het lied geschreven had, door een kalebas onder de kraan te houden en het water aan de dorpsoudste aan te bieden.

Er groeit nu al groente in de tuin, de WC’s zijn in gebruik en de meisjes hoeven niet ver meer te lopen.

Geplaatst op: 05 juni 2009 door Wiljo Woodi

Wiljo Woodi

Het verhaal van twee uitgedroogde kinderen

Het waterproject zoals je hier op de 1%CLUB kunt lezen, kan bijna van start gaan. De groen/roze teller geeft bijna volledig groen licht. Fantastisch hoor! Als we met hulp van nieuwe 1%-ers voldoende middelen hebben, kunnen we beginnen met de aanleg. In Mauritanie staan ze al in de startblokken. Bij een groter waterproject in de buurt zijn er door de ingehuurde aannemer lokale mensen in allerlei facetten getraind: van bouw tot waterinstallatiebeheer, echt duurzaam dus. Die getrainde mensen kunnen nu bij naburige projecten ingezet worden en weer anderen trainen.

Omdat er nog niet gestart is en dus geen nieuws, post ik hier een eerder reisverslag van eind vorig jaar waar het levensbelang van water nog maar eens heel erg duidelijk wordt.

Reisverslag 2007 11 droogte.

Aan het begin van de avond worden we opgeschrikt door het gebalk van ezels gemengd met het drukke nieuwsgierige gekwetter van de kinderen. Even later komt een ons onbekende man het erf op. Hij begroet Demba en mij met groot respect. Daarna geeft hij de andere mannen en vrouwen op het erf een hand. Na het voorstellen en het uitwisselen van nieuws begint hij aarzelend te vertellen: "Bij ons in het dorp en de omgeving heeft het net als hier dit jaar nauwelijks geregend. De drie kleine buien van tien minuten niet meegerekend. De ernstige droogte maakt ons bezorgd voor de toekomst. Maar groter is onze zorg voor vandaag. Wij hebben twee traditionele putten, maar deze geven te weinig en slecht water. De andere putten hebben wij dichtgegooid, zij gaven al eerder weinig water en van slechte kwaliteit. De Amerikanen hebben het aanboren van een wel en het bouwen van een watertoren met een machinekamer, een pomp en een generator gefinancierd. De Arabieren hebben het gebouwd. U begrijpt, wij waren heel blij.
In januari was alles klaar en konden wij het water gebruiken. Het is goed voor de gezondheid van onze kinderen. Toen kwam de regentijd, zonder regen, en de traditionele putten vielen bijna droog, wij gaven de dieren water uit die putten. Dat bespaart diesel voor de pomp. Maar gelukkig konden wij nu de dieren laten drinken, zodat zij niet van droogte sterven.
Op een kwade dag, nu tien dagen geleden, kwam er alleen maar water met zand en later blubber uit de nieuwe boorput.
Wij hebben de Arabieren gevraagd de problemen op te lossen, maar dat kost 6.000.000 MUQ (21.000 euro) en dat hebben wij niet."
‘En de Amerikanen, waar zijn zij?’, vragen we.
‘Niemand uit ons dorp heeft contact met hen. Zij hebben eenmalig geholpen. Willen niet steeds nieuwe vragen om hulp krijgen. Begrijpt u?’
Ik knik. Maar voel ook boosheid in mij opborrelen. Dat hele project heeft veel geld gekost, beduidend minder dan “onze” projecten, maar toch. Niemand heeft echt de verantwoordelijkheid gekregen of genomen. De Amerikanen niet, geld geven en klaar. De Arabieren niet, geld ontvangen en klaar. De dorpelingen niet, put en watertoren gekregen en klaar. Iedereen kan scoren, alleen de mensen van het dorp zitten nog steeds zonder water.
Demba en de man van het dorp die tevens de leider van het dorp is, praten verder over oplossingen. Ik hoor Demba beloven dat wij morgen komen kijken.

En dat doen we. Het is niet meer dan 17 km. bij ons vandaan. Het is heet en de zon brandt door de autoruiten, we hangen een lap voor de zijruit om ons enigszins te beschermen. We rijden over een dorre droge gebarsten vlakte, die in deze tijd van het jaar een groene waas hoort te hebben. Het dorp is zichtbaar arm. Een groepje (slaven-)tenten staat aan de rand. Deze ex-slaven zijn naar het dorp getrokken in de hoop op wat werk.
Onze komst lijkt aangekondigd, vrouwen en kinderen rennen op ons af en blijven dan op gepaste afstand staan. Twee vrouwen (ex-slaven) komen naar voren, zij hebben een bundeltje in hun armen. Nadat de lappen zijn afgewikkeld zie ik twee stervende kindjes. Uitgedroogd, de ogen geloken, een pols nauwelijks merkbaar. De moeders kijken vol vertrouwen naar mij op. ‘Eindelijk hulp voor mijn kind,’ lees ik uit hun blik die strak op mij gericht is.

Het is rond de 50 graden. En er is in Gorgorol geen drinkwater.
Na de gesprekken en de inspectie van het waterprobleem, vertelt Demba hen dat wij de problemen niet kunnen oplossen, maar dat zij met paard en wagens water bij ons dorp kunnen komen halen.
De kinderen en hun moeders nemen we mee naar het ziekenhuis. De vrouwen in het dorp komen de moeders die niet veel meer dan vodden dragen een schone hele lap brengen om om te slaan. Ook voor de kindjes worden schone lappen gebracht.
Na de zegen volgt een trieste maar ook hoopvolle stoet onze auto het dorp uit.

In Khaedi, halen we een familielid op die voor de moeders kan zorgen, eten en drinken maken, de lappen wassen en eventueel medicijnen halen.
In het ziekenhuis begint het wachten, tot ik mijn invloed gebruik en we sneller een dokter te spreken krijgen. Demba gaat naar de apotheek om de nodige medicijnen, verbandmiddelen en infuusflessen te halen. De man heeft flessen op de plank staan die zo heet zijn dat je er gemakkelijk thee van kan zetten. Demba baant zich een weg naar het magazijn achter de winkel en zoekt in dozen naar bruikbare infuusflessen met hetzelfde opschrift als op het recept. De man achter de balie is geërgerd en vraagt meer geld voor deze (nieuwe) flessen.
Demba start de onderhandelingen terwijl ik het hele pakketje vast meeneem naar het ziekenhuis. Ik bezwijk bijna door de hitte. Het is nauwelijks mogelijk je te bewegen.
Langs de weg van de apotheek naar het ziekenhuis is geen schaduw te vinden. Maar de kindjes wachten en dat geeft mij energie.
Het ene kindje (5 maanden) was zo mager dat hij de ader om het infuus aan te brengen niet kon vinden. De dokter schoof met de woorden ‘dit heeft geen zin meer’ het kindje van zich af.
Toen de dokter vertrok, heb ik het geprobeerd en met veel geduld lukte het mij de naald erin te krijgen. Mijn gezicht droop van het zweet (en van de tranen).
We rijden iedere dag in de snoeihitte de 72 km. van ons dorpje via de karrensporen naar het ziekenhuis, halen nieuwe medicijnen en verzorgen eigenhandig de twee kindjes. Na 5 dagen gaat het zichtbaar beter met hen. Zouden deze twee kindjes het overleven?
Terug in de auto grappen Demba en ik met elkaar, dat we een toekomstige president en een toekomstige wateringenieur het leven hebben gered, het helpt ons (mij) om de spanning te breken. 

Geplaatst op: 01 oktober 2008 door Wiljo Woodi

Wiljo Woodi

Bijna van start! En eerder reisverslag

ook hier een eerder reisverslag:

Eerst een terugblik: het is 24 november. Er is een jongen, zijn naam is Sow, hij is 17 ongeveer.

Hoezo polio?
We zijn vroeg opgestaan. We vertrekken vandaag, van ons huisje in Pulli Fulbe, in Senegal. Zonder licht, zonder drinkwater, zonder gas; en koken op hout is verboden, dus hoe doe je dat? Maar ons huisje ligt aan zee, nog een paar jaar en het ligt in zee. Want de oceaan komt ieder jaar een stukje dichterbij. We hebben nog 50 meter en bij stevig zeeweer, en dat gebeurt nogal eens, dan komt het water tot aan de deur
De klamboes opgeruimd, de lakens in de was bij de buurvrouw, koelkast hebben we niet, dus de inhoud ook niet. Deuren en luiken dicht. De koffers zijn gepakt voor de reis naar Nederland, de paard en wagen staat voor de deur om ons naar het grotere dorp te brengen, zodat we in een overvolle auto naar Dakar kunnen.
Abdou gaat mee naar Dakar en Amatel, de doven-leerkracht, gaat mee voor een gesprek in de brousse waar 5 families wonen met een groot aantal dove kinderen. Met de dorpelingen willen we bespreken een klasje bij hen op het erf te beginnen. We zijn hierover al twee jaar in gesprek. De ouders hebben zo hun zorg. De kinderen bij familie onderbrengen, zodat ze naar onze school op de mat kunnen (15 km.), is niet echt een mogelijkheid. Daar zijn veel gesprekken over gevoerd. “Gezonde “ kinderen bij familie laten logeren geeft geen problemen, maar dove kinderen zijn heel kwetsbaar, er is nauwelijks communicatie tussen de kinderen en hun familie. De ouders weten nog niet dat dove kinderen alles kunnen, behalve horen.
We gaan nu opnieuw praten over een school op de mat bij hen in het dorp.

De koffers zijn opgeladen, samen met spullen van de buren die ook naar het grote dorp moeten. Een mand met vis, een schaal met Dende (een soort meloenen). Een oude man met een enorme stok voor wie lopen te ver is. Een vrouw met twee grote manden met koopwaar, spullen die iedereen al heeft of zelf verkoopt. Maar evengoed toch gezellig om op de markt te staan.

Als ik op de door mij gehuurde paard en wagen nog een plaatsje wil bemachtigen moet ik snel zijn. Ik klim tussen mijn “handel”, schuifel even met mijn billen om plek te maken.
We kunnen gaan.
Op de kar vertelt Amatel, dat iemand in het dorpje verderop vannacht is gestorven. Ik kijk naar zijn gezicht en reageer geschrokken, ‘hoe jong?’ ‘Ongeveer 19 jaar. En van dezelfde familie waar twee jaar geleden twee jongere kinderen stierven door de cholera.’
Wij stoppen voor het dorpje om te condoleren.
De vader komt ons tegemoet, zijn gezicht bedroefd. Gelaten laat hij ons de zoon zien. Wij schudden handen met een zwaar hart. ‘Ik heb nog één zoon. En hij is ziek. Dezelfde ziekte, hij kan niet meer lopen en is heel heet. Soms weet hij niet wie ik ben.’ Hij verwacht geen hulp het is meer een mededeling. Aarzelend zeg ik: ‘Mag ik even naar hem kijken?’ ‘Het is hopeloos,’ en heft zijn handen naar de hemel. Toch gaat hij mij voor naar een donker warm kamertje, als mijn ogen gewend zijn aan het licht, zie ik in de hoek een groot ijzeren olievat en op een flinterdun matrasje een magere jongen met ogen groot van koorts.
Amatel praat met hem en vraagt mij wat ik kan doen.
De menner van de paard en wagen gaat terug naar ons huisje om mijn EHBO koffer te halen.
Ik doe wat controles en geef hem paracetamol tegen de pijn. Hij kan niet zelfstandig staan en lopen is totaal onmogelijk. Zijn benen zwabberen.
Hij moet dringend naar een goed ziekenhuis. Ik vertel dit aan Amatel. Die gaat met de vader praten. De moeder staat met vochtige ogen heftig te knikken, alles wat ook maar iets van hoop geeft vindt zij goed.
De vader haalt uit het lege olievat een plastic zak met medicijnen. In grote rode cijfers staat geschreven FCFA 13.850. Een half maandsalaris als je een salaris hebt. ‘Eergisteren gekocht van de laatste centen voor de overleden zoon. En nu is hij dood. Nee geen dokter, geen ziekenhuis, geen medicijnen. Eén zoon heb ik, één zoon.’
Ik knik begrijpend, maar bal mijn handen tot vuisten om niet uit te schreeuwen: ‘straks heb je niets meer, zie je niet dat deze zoon je toestemming nodig heeft? Zie je niet dat hij dezelfde weg gaat als de jongen in de andere kamer?’
Smekend kijk ik Amatel aan: ‘Doe iets, zeg iets, overtuig deze man dat wij de jongen een kans moeten geven te overleven, door hem mee te nemen naar het ziekenhuis.’
Het is warm in de kamer, warm donker en benauwd. Niet alleen omdat het heet is buiten en het kleine kamertje al dagen potdicht zit, maar ook door ons. We zweten met de jongen mee. Hij probeert zich op te richten, werpt zijn wanhopige blik wisselend op Amatel, zijn vader en mij. De discussie loopt op, om weer weg te kabbelen in algemeenheden. Veel dank dat ik wil betalen, God zal mij lonen, maar nee, geen ziekenhuis. Misschien volgende week probeert hij Amatel af te leiden.
‘Volgende week is te laat.’ Seinen mijn ogen naar Amatel. Amatel is jong, het is moeilijk om met het juiste respect de oude man te overtuigen. Ik zou met mijn leeftijd meer kans maken, maar beheers de taal en vooral de cultuur niet voldoende.
Buiten wachten de mensen geduldig op de kar.
Het erf stroomt vol met mensen uit de wijde omgeving die komen condoleren. Ieder brengt iets mee voor de gezamenlijke laatste maaltijd. Rijst, olie, suiker, thee en vis.
Amatel staat op en wist het zweet van zijn voorhoofd. Twee jongens, neven, worden geroepen en brengen Sow naar buiten, tillen hem op de kar.
De vader huilt, de moeder geeft een bos wortelen uit haar tuintje mee, en haar beste wuddere die als laken in het ziekenhuis dienst zal doen.
De stoet komt in beweging, de mensen lopen naast de kar. In drie minuten is de kar veranderd in een ambulance. Zo eenvoudig gaat dat.

Het is 2 maart. Sow loopt, echt hij loopt, hij sleept met zijn ene been, maar hij loopt. Zijn gezicht staat ontspannen. De vader sluit hem in zijn armen. ‘Mijn zoon.’
    
In Nouakchott, de hoofdstad van Mauritanië rolt een man over straat. Hij draagt een T-shirt en een voetbalbroek. Hij heeft geen armen en geen benen. Koprollend beweegt hij zich naar zijn stek voor deze tijd van de dag, de stoplichten. Deze zijn nieuw in Nouakchott. ‘De auto’s moeten nu verplicht stilstaan en dat maakt bedelen voor mij makkelijker, vroeger liep ik het gevaar onder de wielen te rollen,’ vertelt hij met een lachje.
Op een dag toen onze (oude) auto weer eens stuk langs de weg stond vertelde Sam zijn verhaal onder het genot van een gekregen colaatje met een eigengemaakt rietje. ‘Ik heet Sam,’ begon hij zijn verhaal. ‘ja, dat is ongewoon, zei hij mijn verbaasde blik opmerkend. ‘De tweede geboren zoon van onze stam heet Samba, maar ik ben maar half, dus nam ik met een halve naam genoegen. Zo weet ik mijn plaats in de familie.’ Zijn wonderlijk donkere ogen met gouden lichtjes lachen.
‘Op een kwaaie dag komt er een aardige Amerikaanse dame,’ zo begint hij zijn verhaal. ‘Ze had een plan met mij, zei ze. Ik begreep haar taal niet zo goed maar ik hou van dames zeker dames met een plan.’ Ik zie de lach weer in zijn ogen.
Ze pakte me op en zette me in een nette rolstoel, trok me een keurig pakje aan en rolde me naar een kantoor van het goede doel. Daar kreeg ik een tafel en een machientje met een stokje, waarmee ik met mijn mond de letters van de lijsten met geschreven namen in de computer kon zetten en een salaris.
We zaten daar met drie mensen, alle dagen dezelfde mensen, dezelfde tijd, dezelfde lijsten en hetzelfde stokje.
Door dat stokje kon ik niet praten met de mensen in het kantoor.
Het ging niet goed, om mezelf wat op te vrolijken verdiende ik met rollen langs de straat in de avonduren wat bij. Zo miste ik weer mijn familie. De ezelkardrijvers zagen mij maar net op het nippertje, ik draag immers geen verlichting op mijn koprol.
Na drie maanden rolde ik de kantoordeur uit de straat weer op. Hier heb ik mijn contacten, mijn vrienden en verbeter voortdurend de kunst van het bedelen.
Hoewel dat altijd nog beter kan. Jij bijvoorbeeld geeft mij nooit één cent, behalve de cola die we soms nog samen delen. En dat voor een Tubaak, een blanke.’  Hij lacht, ‘maar je geeft me oprechte vriendschap en dat is goud waard.’ We geven elkaar een voorhoofdje. Met een blij gevoel van oprechte vriendschap stap ik in de weer gerepareerde auto.

Moudou is ook een vriend geworden, hoewel er een beetje een haat/liefde verhouding tussen ons is. Moudou regelt het verkeer op een kruispunt waar het niet zo druk is. Hij draagt een versleten politiebroek en legerpet, een uit het goede hout gesneden pistool steekt half uit zijn zak.  Zo maakt hij indruk. Iedere stadsbewoner kent hem en volgt zijn soms vreemde adviezen op met een lachje en een bedragje.
Als het echt druk is op het kruispunt tijdens het spitsuur - dat is rond tienen, men is niet zo vroeg in Mauritanië -, krijgt hij assistentie van de echte politie, en met intensief overleg is er een goede samenwerking ontstaan.
Hij laat auto’s naar willekeur stoppen en doorrijden met veelvuldig gebruik van gebaren en zijn heuse politiefluit. Als wij willen passeren stopt hij ons altijd en gebiedt mij mijn lap om mijn haren te binden die ik meestal losjes om mijn schouder heb hangen. Geen lap om, geen doorgang. Echter als ik er op tijd aan denk en de lap om mijn haren heb gedraaid krijg ik van hem een VIP behandeling. Iedereen moet stoppen en als een koningin mag ik in mijn eentje als eerste het kruispunt over.

Misschien een ideetje voor Nederland, in het dagprogramma voor mensen met een verstandelijke handicap. Wie weet lost het files op, in ieder geval een vrolijkere wachttijd.

Geplaatst op: 16 september 2008 door Wiljo Woodi

Wiljo Woodi

Reisverslag 2008 03 Mauritanie: (ex)slaven

De hitte pakt ons in als een warme deken. De zon gloeit ongenadig op de ruiten. Als je de raampjes opendraait heb je de schroeiende hete wind rechtstreeks op je wangen. Oplossing: raam open aan de schaduwkant, als die er is, raam dicht aan de zonkant. Samen met een flinke laag zonnebrand (factor plamuur) is het uit te houden. Tenminste dat maak ik mijzelf wijs.

We zitten opgepakt samen met 20 naaimachines, een heerlijke dikke wollen deken voor de koude Sahara nacht, waarvan Demba bedacht heeft dat ik daar deels op kan zitten en het andere deel lekker achter mijn rug kan stoppen, dan hoeven we geen tax te betalen omdat hij in gebruik is. Binnenlandse tax is hier gebruikelijk als je van de ene provincie naar de andere reist, speciaal voor zaken die iedereen heeft, dan vang je tenminste iets. Voor de naaimachines is minder belangstelling, ik begrijp niet waarom, maar zij zelf ook niet denk ik.

In Achram aangekomen rollen we moe van de hitte, de reis en de slaap op onze deken, we hangen een klamboe aan de auto en in de warme stralen van de motor die nog staat na te stomen vallen we in slaap. Ik word wakker door het gelik van een geit aan mijn tenen, als ik hem wegjaag raakt hij verstrikt in de klamboe. Met moeite valt er nog iets te redden.

We gaan eerst met de bouwers naar de plek waar de gezondheidspost moet komen. De plannen worden uitgelegd, de papieren plattegrond nogmaals bekeken en besproken. De dokter heeft plotseling een ander idee, we luisteren geduldig naar zijn plannen, om het kantoor dichtbij de vrouwenkliniek te bouwen, zodat hij makkelijk heen en weer kan lopen.

We wijzen hem erop dat in dat geval de toegangspoort gewijzigd moet worden, er geen ruimte is voor een ziekenzaaltje, en de ramen van de bevallingskamer uitkomen in de wachtruimte van de patiënten. Mannen en vrouwen zouden van dezelfde toilet gebruik moeten maken omdat er geen ruimte is voor een extra blok. Hij beaamt onze bezwaren, maar opnieuw vertelt hij over de afstand van 75 meter van de vrouwenkliniek naar de gezondheidspost.

Voorzichtig vraag ik naar de verloskundige die de leiding heeft van de vrouwenkliniek. Hij beaamt dat zijn werkterrein buiten de kliniek valt, maar mocht ze zijn advies nodig hebben dan zou hij in de buurt zijn. Wij vragen de verloskundige of zij bereid is de afstand van 75 meter te overbruggen als zij vragen heeft aan de dokter, lachend antwoord zij: goed voor mijn lijn, maar als hij mijn advies wil moet hij de sprint maken. Iedereen lacht en het probleem lijkt opgelost. We praten stevig over de prijs van zand, beton en ijzer, de prijzen die verschillen van die van Nouakchott, maar uiteindelijk worden we het eens. We betalen iets meer, maar onze bouwers mogen gratis bij hem slapen.

Dan volgt er nog de discussie over het graafwerk dat door locale mensen gedaan kan worden. Ook kunnen de (rijkere) mensen uit het dorp voor eten en water voor de bouwploeg zorgen.

Onze volgende taak is de verdeling van de naaimachines. Vorig jaar spraken wij af dat vier dorpen in de rimboe die per dorp een coöperatie vormen, vier machines zouden krijgen om een project te starten. De laatste vier machines zouden voor een groep in Achram zijn.

De nieuw aangestelde burgemeester is van mening dat alle machines in Achram moeten blijven, omdat daar sinds ons bezoek in december 22 coöperaties bij zijn gekomen. Demba toont begrip voor de situatie maar maakt duidelijk dat wij de vier (armste) dorpen de handmachines hebben beloofd en dus daaraan gebonden zijn. Er ontstaat een heftig meningsverschil waar we niet uitkomen en we besluiten er morgen op terug te komen.

De volgende dag zijn alle vrouwen van de 22 coöperaties aanwezig en binnen drie minuten is er opnieuw een heftig conflict. Wat Demba ook probeert, het lukt niet om de massa tot bedaren te brengen. Ik voel me boos worden en zeg dat we ook alle machines weer mee kunnen nemen, maar dat we dat niet doen omdat we ze beloofd hebben. Demba herinnert hen aan mijn Afrikaanse naam Woodi die waarheid betekent, vrij vertaald: ze zegt wat ze doet en doet wat ze zegt. Iemand vraagt welke marabout mij die naam gegeven heeft. Demba noemt de naam van de man, die grote bekendheid heeft in Mauritanië en Senegal. Er valt een stilte en een van de vrouwen zegt aarzelend dat ik het probleem maar moet oplossen zoals ik denk dat goed is. In overleg met hen en de burgemeester besluiten we in de rimboe-dorpen twee naaimachines met toebehoren af te leveren, daar meer stof en garen achter te laten omdat zij verder weg van de bewoonde wereld zitten en dus moeilijker kunnen inkopen. De machines die overblijven zullen verdeeld worden onder de coöperaties die er bij ons vorige bezoek al waren. Wil men gebruik maken van de machines kan men zich bij een van die coöperaties aansluiten. Demba zegt lachend dat wij sterk de indruk hebben dat na ons vertrek in november iedere familie een eigen coöperatie heeft opgericht, om zo voor hulp in aanmerking te komen.
Na de belofte volgend jaar bij goed resultaat nogmaals 20 machines te komen brengen, wordt er niet meer geprotesteerd.

Van Achram rijden we in de hitte naar Moudjeria, daar worden we tijdens de nacht overvallen door een hete zandwind. We doen geen oog dicht. Bij het licht van de maan sta ik moe, bezweet, en volgeplakt met zand chagrijnig op om me af te spoelen met één liter warm water. Na een kop thee, brood is er niet, vertrekken we om 5 uur via een onbegaanbaar gebied verder de Sahara in met als enige levende wezen hier en daar een kameel.

Om ongeveer 12 uur komen wij bij de (ex)slavengemeenschap aan. De rieten hutten branden in de felle zon. Geen schaduw, nergens. Zij graven een ondiepe kuil waarin de koelte voelbaar is; dankbaar voor deze zorg is mijn chagrijnigheid als sneeuw voor de zon gesmolten. We praten over de toekomst, mannen en vrouwen, hier geen sluiers en ook nauwelijks verschil. De sfeer is hoopvol. Alleen al dat wij erkennen dat zij er zijn maakt de sfeer vriendschappelijk. We kennen elkaar al jaren maar hebben tot nu toe weinig kunnen doen.

We vertellen hen over het nieuwe regime dat de slavernij wil aanpakken. De Meesters een straf opleggen tot maximum tien jaar en/of een geldboete. We vertellen dat wij gesproken hebben met de eigenaar van het land waar zij op wonen en dat wij een stuk grond met dadelpalmen voor hen hebben kunnen bemachtigen. We vertellen dat we zullen proberen geld te krijgen voor een afrastering en een sondage, een hand-/voetpomp. Dan kunnen de mannen en vrouwen het land bewerken, naast de dadels landbouw plegen. Samen met de schapen en geiten kunnen ze dan in hun eigen levensonderhoud voorzien en zijn ze werkelijk vrij. Voor de kinderen kunnen we dan een grotere klas bouwen; zij hoeven dan niet meer hele dagen te werken.

Voor de vrouwen kunnen we een kleine kamer bouwen waar de baby’s geboren kunnen worden. Nu is de vrouwen- en kindersterfte rond de geboorte enorm hoog door de moeilijke omstandigheden waarin de kinderen geboren worden. Ik denk beschaamd aan mijn chagrijnigheid over de laatste twee ongemakkelijke nachten. En voel even, een heel klein beetje wat deze vrouwen dagelijks te verduren hebben. De hitte, de wind, het zand.

Geplaatst op: 26 maart 2008 door Wiljo Woodi

Steun dit project

Nog nodig: EUR 0

Nu: EUR 3.041
100%
Nodig: EUR 3.033

Waardering: 4.2 stars

Stem: 1 2 3 4 5

(25 stemmen)

Projectleden

Lopende taken

Voltooide taken

Locatie project

Met anderen delen

Bookmark and Share

Promoot dit project

Nodig iemand uit Schrijf testimonial Plaats banner